Menu

Hop, vergane glorie of toch niet?

Hop is eigenlijk een van de merkwaardigste planten uit onze wondere plantenwereld. De plant groeit elk jaar gemakkelijk van de grond naar een lengte van 6 a 7 meter. Spijtig genoeg verdwijnt de teelt steeds meer uit het straatbeeld. Op dit moment is hij vooral geconcentreerd in de streek van Poperinge. In de regio Asse-Aalst is de hopteelt bijna volledig verdwenen, al zorgt de plaatselijke Landelijke Gilde er mee voor dat de teelt niet volledig verdwijnt.

Mijn zoektocht naar hop brengt me in het Vlaams-Brabantse Sint-Martens-Bodegem. Daar wonen de 88-jarige Irene De Brueker en haar zoon Jean De Wael. Het was Irene die samen met haar man Maurice in 1950, vlak na hun huwelijk, met hop begon. Tot dan stond er bij hen in de buurt nog geen hop. “Mijn schoonmoeder kwam met die suggestie”, vertelt Irene. “Zij kende de teelt van in haar streek en had er ervaring mee.” Vandaag is het vooral zoon Jean die zich met de hopteelt bezighoudt, al kan Irene tijdens de oogst toch niet stil blijven zitten en helpt ze nog steeds mee.

Arbeidsintensief

In vergelijking met andere akkerbouwteelten vraagt hop nog steeds een vrij arbeidsintensieve opvolging, zelfs in een volledig gemechaniseerd tijdperk van de 21ste eeuw. Als je de constructie van palen en draden ziet, vind je dat niet onlogisch. “Na de pluk bekijken we de palen en vervangen ze indien nodig”, vertelt Jean. “In maart gaan we dan hopscheuten steken. Die delicatesse werd ontdekt eind jaren 80. Hopscheuten zijn de jonge uitlopers van de hopplant, die vroeger stelselmatig verwijderd werden om de planten alle groeikansen te geven. Maar vandaag zijn ze enorm gegeerd in culinaire middens. En dat merk je ook aan de prijs die ervoor betaald wordt.” In mei begint het werk met de klimdraad, die van de bovenste draden tot aan de grond opgespannen moet worden. Langs deze klimdraad zullen een drietal hopkeesten omhoog groeien tot een grote hoprank van 7 m hoog. Zo’n rank groeit soms 10 cm per dag, windend met de zon mee. Ruwweg vraagt alleen al het aanleiden per jaar ongeveer 110 manuren werk per hectare. In september kan er eindelijk geoogst worden. De hopbellen zijn dan rijk aan lupuline en worden benut in de productie van bier. De hopbellen worden gedroogd met warme lucht en geperst tot pellets.

De orde van de groene bel

Jean is de laatste hopteler die actief is in de regio. “Ooit had elk dorp tussen Aalst en Brussel zijn hopboeren, die met hun hop de plaatselijke brouwerijen bevoorraadden. Ze verdwenen onder druk van de internationale concurrentie en met hen verdwenen ook de hopvelden”, vertelt Joris Vanderveken, gewestvoorzitter van de Landelijke Gilde van Asse-Dilbeek en voorzitter van de gilde van Sint-Ulriks-Kapelle.

“Onze bekommernis was dat Jean met de teelt zou stoppen bij gebrek aan voldoende helpende handen tijdens  de piekperiodes van de teelt. Dan zouden de palen hun functie verliezen en neergehaald worden, waardoor een typisch dorpszicht zou verdwijnen.” Op suggestie van de Landelijke Gilde werd een instandhoudingsproject uitgeschreven, en met succes. Ze brachten vrijwilligers samen die Jean helpen bij de grote veldwerkzaamheden. Na een oproep meldden zich begin 2013 zowat 50 geinteresseerde vrijwilligers. De Orde van de Groene Bel was geboren.

Tijdslijn

In het jaar 1322 verbood de graaf van Vlaanderen de productie van laken buiten de muren van Ieper. Door dit verbod kwam Poperinge in een diepe economische crisis terecht. Jan zonder Vrees zou de Poperingenaars dan aangezet hebben om hop te telen als een soort van compensatie.

In de middeleeuwen was bier een populaire drank omdat er weinig zuiver water voorhanden was. Hop werd vanaf de 13de eeuw gebruikt in de brouwerijen en verving de geheime mengsels van bittere en aromatische kruiden (het zogenaamde ‘gruut’).

Sinds de 15de eeuw werd hop op grote schaal geteeld. Deze toch wel bijzondere teelt zou voortaan het landschap van Poperinge en omstreken bepalen. De hop werd geteeld op lange stokken en werd met de hand geplukt tot aan het einde van de jaren 50. Na de Tweede Wereldoorlog werden de stokken vervangen door draadconstructies.

Tot de jaren 60. De geplukte hop werd per kilo betaald. Op het einde van de werkdag werd de hop gewogen en gecontroleerd. Een goede plukker kon 30 a 40 kilo plukken. Er werd geplukt van zonsopgang tot zonsondergang.

Nu wordt in Vlaanderen hop vooral nog verbouwd in de streek van Poperinge. Rond Aalst en Asse is het areaal  bijna volledig verdwenen. Vooral door de sterke concurrentie uit het buitenland verdwijnt de hopteelt elk jaar een beetje meer.